Gisteren was het vijfentwintig jaar geleden dat Seasons End uitkwam. Na vier studioplaten met Fish trad een mij onbekende zanger aan – Steve Hogarth.

Hogarth heeft inmiddels dertien albums gemaakt met Marillion en nog steeds is Fish de zanger die door velen met Marillion wordt geassocieerd. Het is niet voor niets dat toen een paar jaar geleden T-shirts werden gemaakt met verwijzingen naar individuele bandleden, dat van Steve Hogarth als wat wrange tekst had: “H – the new Marillion singer since 1989”.

Voor mij was het destijds even wennen. Hogarth heeft een soort stem die me eigenlijk niet ligt: met de snik, de pathetiek, kortom het Britpopgeluid. Hogarth is dan ook altijd een acquired taste gebleven voor me, hoewel ik de keuze van de overige heren in Marillion niet betreurd heb.

Op de Marillionsite kijken de heren terug op het opnemen van het album. Voor Steve Hogarth was het zowel de hemel op aarde als binnenvallen in een band vol onrust: “I flounced around the lovely house in a big shirt and drank Pimms by the swimming pool listening to “Slave to the Rhythm” and occasionally welcoming policemen and solicitors who delivered writs from Fish to stop us working.(…) I thought I was Lord Byron and I’d died and gone to heaven.” Met Fish is het inmiddels weer goed gekomen, gelukkig.

Seasons End vind ik nog steeds een van hun beste Hogarth-platen. Platen als Brave en Happiness Is The Road vond ik bijvoorbeeld te zwaar op de maag liggen. Seasons End had echter precies dat waarvoor Fish zei Marillion verlaten te hebben: een wisselwerking tussen prog en pop.

Mijn eigen favoriet is altijd een van de pure popliedjes op het album geweest, “The Uninvited Guest”. Seasons End is echter vooral een album dat je in zijn geheel moet horen.