Met de tongue diep in de cheek

Ik heb een zwak voor William Shatner. Niet vanwege Star Trek – dat heb ik mijn hele leven niet gekeken – maar omdat de man met overgave één personage acteert.

Wat hij ook doet als acteur, bijvoorbeeld Denny Crane in Boston Legal of The Big Giant Head in 3rd Rock From The Sun, hij is hetzelfde als in alle andere programma’s of interviews. Hij acteert altijd William Shatner en dat doet hij met zichtbaar plezier. Is het de echte William Shatner? Geen flauw idee, en misschien weet hij dat zelf ook niet meer. Op enig moment heeft hij bedacht dat hij niet overdreven serieus genomen werd als acteur en juist door dat imago te omarmen blies hij zijn carrière nieuw leven in.

Precies zo heeft hij ook een carrière als zanger. Nou ja, zanger, hij reciteert wat ooit een songtekst was. Maar ook dat sinds een paar decennia volkomen in zijn karakter van William Shatner. Die carrière als “zanger” pikte hij weer op in 2004, toen hij het geweldige album Has Been maakte met Ben Folds en nog wat gasten, zoals Henry Rollins en Joe Jackson.

Cleopatra Records, een label dat zich vooral bezig houdt met tribute-albums, compilaties en albums van artiesten die ooit heel bekend waren, had wel door dat dat makkelijker en met meer kans op succes kon. Je neemt een stel vrijwel onbekende maar zeer competente broodmuzikanten, zoekt overbekende covers en huurt bekende muzikanten in om een muzikale bijdrage te leveren zodat je met die namen kunt schermen. (Geestig detail: datzelfde Cleopatra haalde deze week alle Nederlandse media met Todd Rundgren’s versie van Youp van ’t Hek’s “Flappie”. ) Seeking Major Tom uit 2011 had louter songs met een ruimtethema, het aanzienlijk minder geslaagde progproject Ponder The Mystery deed in 2013 iets dergelijks maar met origineel materiaal van Yes’ Billy Sherwood, Why Not Me uit 2018, een countryplaat met Jeff Cook, was een uitstapje op een ander label en Shatner Claus uit datzelfde jaar was een kerstcoverplaat volgens vast recept bij Cleopatra. En nu is er The Blues.

Dat is meestal op zijn minst vermakelijk en levert een paar keer heel fijne resultaten op, zoals Robert Johnson’s Sweet Home Chicago (met Brad Paisley), Muddy Waters’ Mannish Boy (met Ronnie Earl), Born Under A Bad Sign (met Tyler Bryant) en Route 66 (met Steve Cropper). Bij de ook geslaagde cover van B.B. King’s The Thrill Is Gone staat Ritchie Blackmore vermeld als gast, maar het zou me niet verbazen wanneer (net zo als ooit volgens Yes’ Steve Howe bij hem gebeurde) zijn naam er wel bij staat, maar zijn bijdrage niet is gebruikt. Het klinkt mij in elk geval ook in de solo bepaald niet als Ritchie Blackmore in de oren.

De twee laatste tracks zijn recenter: The Dead South’s In Hell I’ll Be In Good Company (met Albert Lee) en Secrets Or Sins van en met de mij onbekende Daniel Miller. Nou staat Shatner bekend om zijn overacting en als zanger doet hij dat ook wel eens. In songs als Screamin’ Jay Hawkins’ I Put A Spell On You (met Pat Travers), Howlin’ Wolf’s Smokestack Lightnin’ (met Jeff “Skunk” Baxter) en Willie Dixons I Can’t Quit You Baby (met Kirk Fletcher) is het reciteren voornamelijk uitgemond in amechtig jammeren. Dan kunnen de gasten het ook niet meer redden. Gelukkig geldt voor het overgrote deel van de veertien songs dat ze op zijn minst vermakelijk zijn.

Is dit een gimmick? Natuurlijk. Zoals William Shatner’s hele carrière inmiddels een gimmick is. Maar Spinal Tap en Babymetal zijn ook gimmicks. Neem het gewoon niet te serieus. Dat doet William Shatner ook niet.

William Shatner – The Blues
(Cleopatra Records)

William Shatner website

Deze recensie en meer op Rockportaal